Nooit meer de mist in met deze 5 taalfouten

“Als” gebruiken wanneer we “dan” bedoelen? “Hen” of “hun”? Waarom maken we toch steeds weer dezelfde fouten? Simpel, omdat we het ons niet aanleren om het goed te gaan doen.

Dit artikel gaat daar verandering in brengen. Leg het je kinderen uit en doe er zelf je voordeel mee. Ga nooit meer de mist in met deze 5 taalfouten (plus enkele bonussen)!

 

#1a Alle of allen?

Wel of geen “n” op het eind? Dat is de vraag die we ons alle(n) stellen. En maar al te vaak gaat het verkeerd.

Is het “We gaan met zijn alle op reis” of “We gaan met zijn allen op reis”?

 

De regels!

  • Wanneer ze bij een zelfstandig naamwoord horen gebruik je geen “n” aan het eind (alle telefoons/ alle kinderen/ alle paarden)
  • Je gebruikt de “n” op het eind wel als de woorden zelfstandig gebruikt worden (Het is aan ons allen/ We zijn allen gewaarschuwd)

 

Bij beide en beiden werkt het weer heel anders… Kijk maar mee naar regel #1b

 

#1b Beide of beiden

“Beide” en “beiden” werken net weer even iets anders. Maar evengoed worden hier veel fouten in gemaakt.

 

De regels!

  • Je gebruikt geen “n” als het een geheel vormt met het zelfstandige naamwoord dat er vlak achter staat (Beide bedrijven gingen failliet/ Ik zag beide kinderen in de bus).
  • Beide zonder “n” mag ook als het woord slaat op een zelfstandig naamwoord dat eerder in de zin genoemd is (De kinderen gingen beide naar de bus/ De bedrijven gingen beide failliet).
  • Als er geen zelfstandig naamwoord achter staat of wanneer ze naar concrete personen verwijst, geldt beiden met “n” (De meisjes gaan beiden naar school/ De meester en de juf gaan beiden mee op kamp/ Ze vroegen me beiden naar mijn vader/ Beiden vroegen naar mijn vader).

 

#2 Dat of wat?

Wat ook regelmatig fout gaat is het gebruik van “dat” en “wat”. Kijk maar:

Het boek wat ik lees…

Het meisje wat ik ken…

 

De regels!

  • Wordt er verwezen naar een zelfstandig naamwoord waar het lidwoord “het” bij hoort, dan is het “dat” (het boek dat/ het meisje dat/ het paard dat).
  • Na een onbepaald woord (iets, alles, enige, niets), na een voornaamwoord (datgene of dat), na een bijvoeglijk naamwoord dat zelfstandig gebruikt wordt gebruik je “wat” (Het enige wat me overkomt/ Niets is wat het lijkt/ Het is datgene wat me dwars zit).
  • Als datgene nog niet genoemd is, geldt ook “wat” (Het is me wat).
  • Als het terugslaat op een gebeurtenis of op een hele zin gebruik je ook “wat”.

 

#3 Hun, hen of zij?

Deze aanwijzend voornaamwoorden (want dat zijn ze) worden nogal eens door elkaar gehaald, zoals in:

Ik zal het hen vragen…

Hun hebben nog niet betaald…

 

De regels!

  • Je gebruikt “zij” (of “ze”) altijd als een onderwerp in een zin (Zij hebben nog niet gegeten/ Ze hebben het verkocht)
  • Je gebruikt “hun” als bezittelijk voornaamwoord (Het is hun fiets/ Die fiets is van hun) of als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel (Ik geef hun een drankje)
  • Je gebruikt “hen” als lijdend voorwerp (De meester straft hen) of ná een voorzetsel (Ik voeg me bij hen/ De meester staat achter hen).

 

Wil je voorkomen dat je al sprekend de mist in gaat? Gebruik “hen” en “hun” dan niet, maar maak alleen gebruik van “ze”. Je zit dan gegarandeerd goed!

 

#4 Jou of jouw

Met “jou” en “jouw” gaat het ook vaak niet goed. En dat terwijl deze regel best makkelijk te onthouden is.

Deze fouten hoef je dan niet meer te maken:

Het is jou jas…

Kan ik dat aan jouw vragen…

 

De regels!

  • Gebruik “jouw” als het om een bezittelijk voornaamwoord gaat (jouw jas/ jouw vriend/ jouw auto/ jouw vader)
  • Gebruik “jou” als persoonlijk voornaamwoord, waarmee je je richt tot een persoon. (ik vertrouw jou/ ik heb jou geholpen).
  • Ook schrijf je “jou” na een voorzetsel (naast jou/ bij jou/ boven jou/ onder jou/ ver van jou).

 

Tip: Het bezittelijk voornaamwoord geldt niet alleen voor jouw, maar ook voor mijn, zijn, haar en ons!

 

#5 Als of dan?

Ook met “als” en “dan” gaat het vaak verkeerd, zoals:

Hij is groter als mij.

De haas loopt sneller als de schildpad.

 

In veel gevallen wordt het woord “als” te vaak gebruikt. Het is zaak om te weten wanneer je “dan” gebruikt om dit ook niet meer fout te doen.

 

De regels!

  • In een overtreffende en vergrotende trap (kleiner, meer, sneller, beter enzovoorts) gebruik je altijd “dan”“(Hij is kleiner dan ik/ Zij is sneller dan Marloes/ Hij is beter in rekenen dan Flip).
  • Bij een vergelijking gebruik je altijd “als” (Hij is net zo groot als ik/ Hij kan net zo goed rekenen als Marloes).

 

Het gaat ook vaak mis bij “mij” en “ik”, daarom een bonusregel…

 

#6 Mij en ik

Vaak wordt “mij” ten onrechte gebruikt. Zeker in combinatie met “als”. Zoals:

Hij is groter als mij

Zijn zus is beter als mij

 

Naast dat je volgens de regels “als” moet vervangen door “dan” (want het betreft overtreffende en vergrotende trap), moet je “mij” vervangen door “ik”.

Een simpel trucje is om elke zin af te maken!

“Hij is groter dan mij ben…” klinkt niet. Je zal dan dus beseffen dat het moet zijn “Hij is groter dan ik ben”, waarmee je duidelijk hoort dat het om “ik” gaat.

Probeer zelf maar, je zal zien dat je ook dit nooit meer fout doet!

2 Comments

  1. Veerle Hansen juni 30, 2018
    • Paul Bergman juni 30, 2018

Reageer!

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *